Ga naar de hoofdinhoud

Melding

Er zijn steeds meer uitbraken van mazelen in Europa. Heb je vragen of wil je meer informatie over mazelen of de vaccinatie tegen deze ernstige infectieziekte?

Lees meer

Informatie voor kinderartsen

We zijn als kinderartsen en JGZ samen verantwoordelijk voor het tijdig toedienen van de rotavirusvaccinatie, DKTP-Hib-HepB en Pneu. Ligt een kind bij 6 weken (nog) in het ziekenhuis, dan is het belangrijk dat we goed communiceren en afstemmen over het toedienen van het vaccin.

Vrouwelijke arts

Vaccineren tegen het rotavirus

Per 1 januari 2024 maakt de rotavirusvaccinatie onderdeel uit van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Als kinderartsen, jeugdartsen en (jeugd)verpleegkundigen zijn we hiervoor samen verantwoordelijk. Baby’s krijgen het drinkvaccin bij voorkeur zo vroeg mogelijk binnen de leeftijd van 6-9 weken. Ligt een kind bij 6 weken (nog) in het ziekenhuis, dan is goede communicatie tussen kinderartsen en jeugdartsen dus nodig. Heb je een kind in behandeling en zijn er contra-indicaties voor het rotavaccin, geef dit dan tijdig door contact op te nemen met de jeugdarts of jeugdverpleegkundige.

Dien je het vaccin zelf toe of verwijs je door?

Als een kind is opgenomen, kun je als kinderarts zelf tussen 6 en 9 weken de eerste vaccinatie tegen het rotavirus toedienen. Gaat het kind binnenkort naar huis, nog voor het 9 weken oud is? Dan kan de jeugdgezondheidszorg (JGZ) het eerste rotavaccin ook geven. Stuur dan tijdig de (ontslag)brief naar de juiste JGZ-organisatie. Neem zo nodig telefonisch contact op om zeker te zijn dat het kind tijdig een afspraak bij de JGZ krijgt.

Let op:

Het is belangrijk dat de eerste vaccinatie in ieder geval plaatsvindt voordat het kind 12 weken oud is. De tweede vaccinatie volgt minimaal 4 weken na het toedienen van de eerste, maar vóór de leeftijd van 24 weken. De exacte werkwijze en taakverdeling is opgenomen in de RVP-richtlijn Uitvoering.

Instructiefilmpje RIVM toediening vaccin rotavirus
Instructiefilmpje toediening vaccin rotavirus

Combinatie met andere vaccins

Je kunt de rotavirusvaccinatie gelijktijdig geven met de andere vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen van deze leeftijd. Het advies is om in dat geval eerst het rotavirusvaccin toe te dienen en daarna de andere vaccinaties. Wetenschappelijk onderzoek toont namelijk aan dat het sucrosegehalte in het rotavirusvaccin een pijnverlagend effect heeft.

Wanneer is geen vaccinatie mogelijk?

Het rotavirusvaccin is een levend verzwakt vaccin. Het is daarom niet geschikt voor kinderen met een verlaagd immuunsysteem, een ernstige immuundeficiëntie of als de moeder in de zwangerschap medicatie heeft gehad die het immuunsysteem onderdrukt. Kinderen die een darminvaginatie hebben gehad (of een groot risico daarop hebben) mogen het rotavaccin ook niet. Net zoals kinderen met een fructose-intolerantie, glucose-galactose-malabsorptie of sucrose-isomaltase-insufficiëntie. Neem in deze gevallen telefonisch contact met ons op.

Opletten met kwetsbare ouders
Waarschuw ouders met een verzwakt immuunsysteem. Zij moeten tot 2 weken na het toedienen van het vaccin contact met ontlasting van hun kind vermijden.

Vaccinatie gegeven?

Het RIVM registreert in Praeventis wie welke vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma heeft gehad. Zo krijgen ouders geen herinneringen en weten andere uitvoerende instanties direct welke vaccinaties een kind heeft gehad. Vul daarom het vaccinatieregistratieformulier. Vraag bij ouders toestemming om de gegevens door te geven aan het RIVM.

https://cms.vaccinatiescjgrijnmond.nl/uploads/images/LP-image-665-x-446/Warme_overdracht.png

Warme overdracht naar JGZ

Nadat je de vaccinatie(s) aan het kind hebt gegeven, is het belangrijk om dit ook door te geven aan de JGZ-organisatie van het kind. Gebruik hiervoor de postcodetool van het RIVM. Hieronder staan de contactgegevens voor een warme overdracht of overleg met de juiste professional:

Heb je een vraag?

  • Algemene vragen over het RVP kun je stellen aan het RIVM. 
  • Vragen over een patiënt? Neem dan contact op met de jeugdarts van de CJG-locatie bij jouw patiënt in de buurt.